Bloedtransfusies

Bloedtransfusies

Een bloedtransfusie kan levensreddend zijn bij patiënten met bloedarmoede (anemie), inwendige bloedingen (als gevolg van rattengif intoxicatie, tekort aan bloedplaatjes of hemofilie) en tekort aan eiwitten (zeldzaam). De voornaamste oorzaak van bloedarmoede is Auto-Immune Hemolytische Anemie (AIHA of IMHA), waarbij het lichaam antistoffen vormt tegen zijn/haar eigen rode bloedlichaampjes en ze afbreekt.

Om bloed te kunnen toedienen hebben we een donor nodig. Dit is meestal een hond van een andere eigenaar of de hond van één van de dierenartsen. We kunnen in onze praktijk rekenen op een aantal honden als donoren. 
Op de foto ziet u Ginger, een prachtige Ierse Wolfshond, die als donorhond wordt gebruikt. Zo’n grote hond kan natuurlijk wel wat bloed missen. In principe kunnen we bij een hond van 30 kg vlot een halve liter bloed afhalen en dit mag iedere 3 weken zonder nadelige gevolgen voor de donorhond. We zijn blij dat we dag en nacht kunnen rekenen op een aantal honden en hun baasjes om ons hierbij te helpen in geval van nood.

Ook bij katten kunnen we trouwens bloedtransfusies doen; bij een gemiddelde kat kan tot 50 ml bloed worden afgehaald.

Net als bij de mens komen bij dieren ook bloedgroepen voor. Bij de hond zijn er 8 verschillende bloedgroepen : DEA-1.1, DEA-1.2, DEA-3, DEA-4, DEA-5, DEA-6, DEA-7, DEA-8. DEA is de afkorting vanDog Erythrocyte Antigen. Tegen sommige bloedgroepen hebben honden met een andere bloedgroepen van nature reeds antistoffen. Bij een bloedtransfusie kan er dan een allergische reactie ontstaan. De ideale donor is liefst enkel DEA-4 positief, aangezien er hiertegen géén natuurlijke antistoffen bestaan. 
Na een éérste bloedtransfusie vormt het dier zelf antistoffen tegen het gekregen bloed, ook van een DEA-4 donor. Vandaar is een tweede bloedtransfusie met bloed van dezelfde donor niet aangewezen. Niet alle transfusie-reacties zijn trouwens meteen levensbedreigend. 
Ook bij de kat zijn er verschillende bloedgroepen : type A, type B en type AB. Type A komt het meest voor (> 90%). Type B zien we vooral bij raskatten. Type AB is uiterst zeldzaam. In tegenstelling tot de hond moet er bij katten best op voorhand bepaald worden tot welke bloedgroep ze behoren. 

Een bloedtransfusie is vaak spoedeisend en geeft ons in de eerste plaats tijdwinst !! Het is immers de bedoeling dat het dier op korte tijd zelf terug voldoende rode bloedcellen en/of bloedplaatjes aanmaakt in zijn/haar beenmerg. 
Vaak is de vraag wanneer een bloedtransfusie juist moet gebeuren. Dit hangt heel sterk af van de klinische toestand van het dier, in combinatie met de resultaten van het bloedonderzoek. 

Praktisch gaat een bloedtransfusie als volgt in zijn werk:

  • Bloed wordt afgenomen bij het donordier en het wordt meteen opgevangen in een bloedzakje. Dit zijn trouwens dezelfde bloedzakjes die gebruikt worden voor de mens.   
  • In zo’n bloedzakje zitten er antistollingsfactoren om ervoor te zorgen dat het bloed niet klontert.
  • Kort nadat het bloed werd opgevangen, wordt het aan de patiënt toegediend.